Nederlands pensioenstelsel

pensioenstelsel

Dit artikel is een inleiding in het pensioen stelsel in Nederland, welk gebaseerd is op een model met drie pijlers van toekomstvoorzieningen. Het woord “pensioen” wordt gebruikt voor verschillende soorten voorzieningen die bedoeld zijn voor de verzorging tijdens de oudedag.

De eerste pijler: Het pensioen vanuit de overheid.

Het overheidspensioen in Nederland is geregeld via de Algemene Ouderdomswet (AOW) en wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank.

Grondslag van de AOW

Men bouwt dit pensioen op als ingezetene van Nederland gedurende 50 jaar voorafgaand aan de ingangsdatum van de AOW-uitkering.

De AOW-uitkering is op basis van de netto uitkering gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Om de hoogte van de AOW te bepalen wordt berekend welk netto bedrag het minimumloon vertegenwoordigt, om dit vervolgens tegen de loonbelastingtarieven voor gepensioneerden te bruteren.

Er is in de AOW-uitkering onderscheid in een uitkering voor alleenstaanden en AOW-ers met een partner.

Hoogte en pensioenleeftijd van de AOW

Ingezetenen die op dit moment de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken en een volledig AOW-recht hebben opgebouwd, kunnen rekenen op een bruto jaarlijks pensioen van circa € 14.000, – (alleenstaanden) respectievelijk € 9.700, – (voor gepensioneerden met een partner). Hiermee heeft een alleenstaande AOW-gepensioneerde een koopkracht die vergelijkbaar is met de koopkracht van het minimumloon.

Sinds de invoering van de AOW door Willem Drees in 1957, gold een AOW-leeftijd van 65 jaar. In 2013 is hier verandering in gekomen als gevolg van de Wet Verhoging AOW en Pensioenrichtleeftijd.

Dekking en financiering

Financiering van de AOW geschiedt via een zogenaamd omslagstelsel, waarbij de AOW-uitkeringen van de huidige gepensioneerden betaald worden met geld dat op grond van de Wet Inkomstenbelasting in rekening wordt gebracht bij ingezetenen jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd met een belastbaar inkomen. Zij betalen jaarlijks 17,9% van hun inkomen, echter maximaal € 6.084,93 (2018) mee aan de AOW.
Als gevolg van het omslagstelsel is er geen sprake van enige individuele opbouw van waarde en is de betaler van nu onzeker of hij of zij bij het bereiken van zijn of haar AOW-gerechtigde leeftijd nog uitzicht heeft op een uitkering. Door tekort aan inkomsten ten behoeve van de AOW, kan deze namelijk verlaagd worden of zal de AOW-ingangsleeftijd verhoogd worden.

De tweede pijler: Aanvullend pensioen vanuit de werkgever

Veel werkgevers bieden als onderdeel van de arbeidsvoorwaarden een pensioenregeling aan als aanvulling op de AOW- uitkering.

De 2e pijler pensioenregelingen worden uitgevoerd door Pensioenfondsen, Verzekeraars en Premie Pensioen Instellingen.

Grondslag van het 2e pijler pensioen

De basis voor de pensioenen in de 2e pijler is in de praktijk het pensioengevende salaris verminderd met de zogenaamde AOW-franchise. De AOW franchise die veelal geldt is 100/75 x de AOW voor gehuwden. Door deze franchise in mindering te brengen op het pensioengevende salaris, wordt bereikt dat er in de opbouw van pensioen rekening wordt gehouden met de opbouw van AOW-pensioen.

Hoogte & pensioenleeftijd in de 2e pijler

Een tweede pijler pensioen valt onder artikel 11 van de Wet Loonbelasting, waardoor de zogenaamde omkeerregel wordt toegepast. Het pensioen moet daardoor ook voldoen aan artikel 18 & 19 van de Wet Loonbelasting 1964. Het praktische gevolg hiervan is dat de inleg in de pensioenregeling niet belast is, in plaats hiervan is de periodieke betaling belast op het moment van uitkeren. Hierdoor is de belasting uitgesteld, maar kan deze in voorkomende gevallen ook in een andere tariefschijf terecht komen.

Het pensioen in de 2e pijler mag samen met het pensioen in de eerste pijler maximaal 100% van het loon zijn. Op dit moment is de pensioenrichtleeftijd 68 jaar, welke periodiek wordt herzien op basis van de ontwikkeling van de levensverwachting.

Soorten pensioenregelingen

In de Wetgeving wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën pensioenregelingen;

De premieovereenkomst

In de volksmond wordt dit de beschikbare premieregeling genoemd. Uitgangspunt van dit soort pensioenregelingen is het voor het pensioen beschikbare budget. Meestal wordt dit budget uitgedrukt in leeftijdsafhankelijke percentages die losgelaten moeten worden op de pensioengrondslag.

Binnen de premieovereenkomst zijn drie varianten aan te merken:

De beschikbare premie wordt tot de pensioendatum belegd of gespaard.
De beschikbare premie wordt gebruikt om een kapitaal te verzekeren.
De beschikbare premie wordt gebruikt om jaarlijks pensioen in te kopen.

De premieovereenkomst wordt meestal uitgevoerd door verzekeraars, minder vaak door de PPI en sporadisch door een pensioenfonds.

De uitkeringsovereenkomst

Een uitkeringsovereenkomst is een pensioenregeling waarbij de werkgever toezegt een voorziening te treffen voor een jaarlijkse opbouw van een gegarandeerde pensioenuitkering.

Uitkeringsovereenkomsten kun je verdelen in:

Eindloonregeling
Het pensioen hangt af van het aantal jaren dat je in dienst bent geweest en het salaris dat je het laatst verdiende.

Middelloonregeling
Het pensioen hangt af van het aantal jaren dat je in dienst bent geweest en hoe hoog je salaris was in deze periode. Het verschil met de eindloonregeling is dat je pensioen niet gebaseerd is op het laatst verdiende salaris. Je pensioen is afhankelijk van het gemiddelde salaris dat je tijdens je loopbaan hebt verdiend.

De uitkeringsovereenkomst wordt meestal uitgevoerd door pensioenfondsen, veel minder vaak door verzekeraars en de PPI kan geen uitkeringsovereenkomst uitvoeren.

De kapitaalovereenkomst

Naast de uitkeringsovereenkomst en de premieovereenkomst is er ook nog de kapitaalovereenkomst. Maar deze regeling komt niet zoveel voor. Bij een kapitaalovereenkomst staat de hoogte van het kapitaal als je met pensioen gaat vast. Het bedrag wordt soms met een winstuitkering verhoogd. Met het kapitaal wordt op de pensioendatum een pensioenuitkering aangekocht.

Er bestaan ook combinatieregelingen. Deze regelingen zijn een mix van twee soorten pensioenregelingen.

In elke categorie pensioenregeling komen de volgende pensioenvormen voor:

• Ouderdomspensioen
• Nabestaandenpensioen
• Arbeidsongeschiktheidspensioen

De derde pijler: Aanvullend particulier pensioen

Werknemers en ondernemers die vanuit de 2e pijler geen of onvoldoende pensioen opbouwen kunnen onder bepaalde voorwaarden een eigen aanvullende voorziening opbouwen, ook wel “lijfrente” genoemd.

Deze lijfrentevoorzieningen worden uitgevoerd door banken en levensverzekeraars.

Grondslag van het 3e pijler pensioen

De (premie)grondslag van het pensioen in de 3e pijler het belastbaar inkomen verminderd met de zogenaamde AOW-franchise. Door deze franchise in mindering te brengen op het pensioengevende salaris, wordt bereikt dat er in de opbouw van pensioen rekening wordt gehouden met de opbouw van AOW-pensioen.

Een lijfrente valt onder artikel 1.7 lid 1.1 van de Wet IB 2001. Hierdoor is de premie voor een lijfrente aan te merken als uitgave voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.124 tot en met 3.131 Wet IB 2001).

Het praktische gevolg hiervan is dat de inleg in de lijfrente niet belast is, in plaats hiervan is de periodieke betaling belast op het moment van uitkeren. Hierdoor is de belasting uitgesteld, maar kan deze in voorkomende gevallen ook in een andere tariefschijf terecht komen.

Hoogte & pensioenleeftijd in de 3e pijler

De hoogte van de lijfrente-uitkering is onbegrensd, in de fiscale wetgeving is alleen de hiervoor aftrekbaar te maken inleg begrensd. In artikel 3.127 staat de maximale jaarlijkse lijfrentepremie beschreven.

De lijfrente gaat in principe in op de AOW-gerechtigde leeftijd. Eerder of later laten ingaan van de lijfrente is mogelijk.
Als de lijfrente eerder in gaat, dan moet deze vanaf de ingangsdatum levenslang duren. Als de lijfrente bij een bank wordt aangegaan, dan moet de uitkering 20 jaar lopen vermeerderd met alle jaren tussen de ingangsdatum van de lijfrente en de AOW gerechtigde leeftijd.

Soorten lijfrentevoorzieningen

In de huidige regelgeving wordt met de jaarruimte die volgt uit de eerder beschreven lijfrenteformule een lijfrentekapitaal gevormd waarmee twee soorten lijfrentevoorzieningen gekocht kan worden.

• Oudedag lijfrente
• Tijdelijke oudedag lijfrente
• Nabestaandenlijfrente

De oudedag lijfrente is een levenslange aanspraak op periodieke uitkeringen. Voor de bancaire lijfrente-uitkering geldt in plaats van “levenslang”, een termijn van minimaal 20 jaar gerekend vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd.

De tijdelijke oudedaglijfrente is een tijdelijke aanspraak op periodieke uitkeringen. Deze dient minimaal 5 jaar te duren en mag maximaal € 21.483 (jaar 2018) per jaar bedragen.

Een nabestaandenlijfrente is een recht op een periodieke uitkering dat ingaat bij overlijden van degene die een lijfrentevoorziening had getroffen. De nabestaandenlijfrente keert uit aan de begunstigde van een lijfrenteverzekering of erfgerechtigde van een bancaire lijfrente.